EVO model

Executieve Vaardigheden en het EVO model

Het model Executieve Vaardigheden in het Onderwijs (EVO model) is speciaal gemaakt voor gebruik in het onderwijs. Er zijn vele modellen, variërend in aantal vanaf 8 tot wel boven de 30 beschreven executieve functies. Uit verschillende modellen is het EVO model ontstaan. Het EVO model gaat uit van 6 domeinen, onderverdeeld in kleuren. Deze domeinen zijn met elkaar verbonden. Voor het uitvoeren van de verschillende taken zijn ook verschillende vaardigheden nodig. 

Wij werken met het EVO model binnen de:
  • Leerlijn Executieve Functies (LEF) voor het (speciaal-)basisonderwijs
  • LEF voortgezet onderwijs 
  • LEF praktijkonderwijs 
  • Binnen onze opleiding tot Jeugd Breincoach

Executieve Vaardigheden van het EVO model

PLANNING EN ORGANISATIE

Onder plannen en organiseren verstaan we het plannen zelf, maar ook het kunnen ordenen van materialen, het kunnen nakomen van afspraken, het maken van een tijdsplanning, starten van taken, efficiënt aan een taak beginnen en doelen kunnen formuleren, het kunnen stellen van prioriteiten en timemanagement. Wanneer het onderdeel planning en organisatie goed ontwikkeld is, zal de leerling in het voortgezet onderwijs de cognitieve vermogens beter tot zijn recht kunnen laten komen. Een goede planning en het nakomen van die planning in al haar facetten, is het halve werk! Toch hebben leerlingen vaak nog veel sturing en hulp nodig bij het overzien van de taken. Dit hele proces van ontwikkelen kan de omgeving (ouders, school) ondersteunen en stimuleren, o.a. door helderheid te geven over afspraken, te kaderen en af te stemmen op de behoeften en draagkracht van de leerling. 

CONCENTRATIE EN WERKGEHEUGEN

Onder dit domein valt het kunnen concentreren, het kunnen focussen op één taak, het kunnen vasthouden van de aandacht voor een taak, het kunnen uitvoeren van taken die uit meerdere stappen bestaan, het kunnen putten uit kennis uit het langetermijngeheugen en dit te combineren met wat er op dat moment van het kind wordt gevraagd (werkgeheugen). Wanneer gedurende lange periode sprake is van verminderde concentratie zien we ook vaak een zwakker werkgeheugen bij leerlingen. Deze leerlingen hebben een korte aandachtsspanne, zijn snel afgeleid, kunnen hun aandacht minder goed richten, vasthouden en verdelen. Het zijn de leerlingen die ‘in hun eigen wereld’ leven, die niet (lijken te) luisteren, lijken te dagdromen en waarbij informatie het ene oor in en het andere uit lijkt te gaan. Ze hebben last van afdwalende gedachten en associëren vaak enorm, waardoor ze dingen ‘horen’ die niet gezegd zijn of opdrachten anders hebben begrepen dan ze bedoeld waren. Het onderdeel concentratie is dus van belang voor de ontwikkeling van het werkgeheugen, waarbij bijvoorbeeld een taak die uit meerdere stappen bestaat kan worden volbracht. Zowel concentratie als werkgeheugen zijn te trainen. Van belang is dat de herkomst van de verminderde concentratie wordt achterhaald en dat interventies worden ingezet die passend zijn bij de herkomst van de concentratiemoeilijkheden of concentratiestoornis.

IMPULSBEHEERSING EN EMOTIEREGULATIE

Onder dit domein valt het kunnen onderdrukken van ongewenst gedrag, nadenken voor je iets doet (respons-inhibitie) en het reguleren van de emoties (weten in welke situatie welke emotie gepast is). In het onderwijs zien we dat leerlingen die zich moeilijk kunnen beheersen het lastig vinden om te wachten op hun beurt, voor hun beurt praten, anderen onderbreken tijdens het praten of vanuit een impuls handelen zonder hierover eerst te hebben nagedacht. Wanneer leerlingen in de puberteit komen, zullen zij enorm gebaat zijn bij een goede basis op het gebied van impulsbeheersing. In de puberteit ontwikkelt zich het emotiecentrum in razend tempo. Pubers zijn geneigd tot risicovol gedrag en gaan eerder voor een snelle beloning dan voor een beloning op de langere termijn. Wanneer de impulsbeheersing dan goed ontwikkeld is, kunnen zij een zo groot mogelijke weerstand bieden aan de wensen vanuit het emotionele brein. Gebrek aan beheersing heeft dan ook grote invloed op allerlei verleidingen die leerlingen in hun leven tegen zullen komen.

MOTIVATIE EN DOORZETTEN

Dit domein is enorm belangrijk voor het leren. Zonder motivatie en doorzettingsvermogen zal de leerling niet tot leren komen. Toch is het binnen dit domein essentieel dat de leerling de beschikking heeft over een (overwegend) positief zelfbeeld, zelfvertrouwen en zich niet uit het veld laat slaan door kleine tegenslag of teleurstelling. Zoals elk van de genoemde domeinen heeft een verminderde ontwikkeling van één van de domeinen invloed op de andere domeinen. Bij motivatie geldt deze verbondenheid nog extra. Motivatieverlies kan vele oorzaken hebben. Veelal komt het voort uit teleurstellingen, opgedaan in het verleden. Deze kunnen ontstaan zijn door het ontbreken van uitdagend materiaal of juist lesstof die te hoog gegrepen was. Om leerlingen te motiveren is het belangrijk leerlingen keuzes aan te bieden en hen in hun autonomie te ondersteunen. Wanneer leerlingen eigenaar zijn van hun eigen ‘probleem’ en tot eigen, zelf bedachte oplossingen komen zullen zij sneller geneigd zijn hun doel te willen bereiken. Deze keuzes moeten bij de leeftijd en bij de taak passen. Aan extrinsieke motivatie, de motivatie die van buitenaf komt, zijn vaak negatieve effecten verbonden. Het is daarom zaak de leerling intrinsiek te motiveren, dat wil zeggen de leerling van binnenuit te motiveren taken te volbrengen. Deze intrinsieke motivatie kan wel ondersteund worden door een extrinsieke prikkel (beloning van buitenaf). De leerling heeft, naast het gevoel van autonomie, ook het gevoel van verbondenheid nodig. Verbondenheid met de leerkracht, met de groep en met het werk. Tot slot is het voor de leerling belangrijk zich competent te voelen. Wanneer de leerling het gevoel heeft het werk aan te kunnen, zal de leerling meer gemotiveerd zijn het werk ook op te pakken. Naast de motivatie om taken te voltooien heeft de leerling ook het doorzettingsvermogen nodig de taak, ook bij tegenslag, te blijven uit te voeren tot deze voltooid is. 

ZELFBEELD EN METACOGNITIE

Metacognitie is het kunnen kijken naar jezelf, naar je eigen handelen, naar de stappen die je gezet hebt en naar de manier waarop je de stappen ook anders had kunnen zetten. Hieronder valt het kunnen vormen van een reëel zelfbeeld en het kunnen reflecteren op eigen handelen. Leerlingen die binnen dit domein 'uitvallen' kunnen een laag zelfbeeld hebben, maar ook een irreëel zelfbeeld. Leerlingen die te snel vinden dat ze iets al goed genoeg kunnen bijvoorbeeld hebben ook nog wat te leren/ontwikkelen op het gebied van zelfbeeld en metacognitie. Het kunnen reflecteren en leren van de reflectie is een groot goed. Te weinig succeservaringen kan leiden tot een laag zelfbeeld. Teveel complimenten die gericht zijn op het eindresultaat in plaats van op het proces, kunnen leiden tot een irreëel zelfbeeld. Evenals het (goedbedoeld) overnemen van taken, waarbij onbewust een signaal naar de leerling wordt afgegeven dat er geen vertrouwen is dat de leerling het zelf kan. 

Op dit onderdeel is de Leerlijn Executieve Functies en met name het bijbehorend praktisch materiaal voor in de klas (de doelenkaarten) gebaseerd. Leerlingen leren te kijken naar eigen handelen, zowel cognitief als gedragsmatig.

FLEXIBILITEIT EN GEDRAGSVERANDERING

Onder dit domein valt het om kunnen gaan met tegenslag, om kunnen gaan met verandering, hierop kunnen anticiperen en hier niet van streek door raken. Leerlingen die feedback krijgen zijn in staat deze feedback ter harte te nemen en een gedragsverandering te laten zien waar nodig. Leerlingen die verminderd flexibel zijn, kunnen moeite hebben met lesovergangen of wijzigingen in het rooster, kunnen bepalend zijn in spel tijdens het buitenspelen, kunnen soms minder goed tot oplossingen komen of kunnen moeilijk omgaan met de overdaad aan prikkels in de klas. Het vermogen flexibel te kunnen omgaan met hetgeen op hun pad komt helpt hen om beter om te leren gaan met vrije opdrachten, samenwerkopdrachten, verandering en tegenslag. Leerlingen die dit domein als ontwikkelpunt hebben kunnen vasthouden aan oude gewoonten en gebruiken en vinden het lastig om te gaan met opbouwende feedback. Een gedragsverandering is hierdoor ook lastiger uit te voeren voor hen. Onder andere het domein 'zelfbeeld en metacognitie' verdient in veel gevallen ook aandacht. Door het werken aan ontwikkeling in beide domeinen kan toegewerkt worden naar gedragsverandering en een flexibeler houding bijvoorbeeld in conflicten.